De eerste jaren van mijn leven

Het is eigenlijk bizar dat een mens de eerste pakweg drie jaren van zijn leven nauwelijks kan herinneren. Alleen foto- en filmmateriaal en overleveringen vormen het bewijs van je bestaan in die periode. Toch is het juist in deze periode dat een mens veel ervaring opdoet en zich zeer snel ontwikkelt. Alhoewel de hersenen druk bezig met het verwerken, analyseren en opslaan van al deze informatie, zijn ze door gebrek aan codering niet in staat bewuste herinneringen op te slaan. Jarno vormde in ieder geval niet de uitzondering op deze regel.

Hoewel er verhalen de ronde gaan dat hij op de vuilnisbelt gevonden is, gaat Jarno er toch vanuit dat hij op die laatste meidag gewoon thuis in Hellendoorn zijn eerste levenslicht zag. Hij zou het, net zoals zijn broer die het presteerde om drie weken te laat naar buiten te komen, erg naar zijn zin hebben gehad in de baarmoeder. Om zijn ouders niet meteen al verdriet te doen, besloot hij om geen poging te ondernemen het record van zijn broer te verbeteren. Misschien droeg het vooruitzicht om in het ziekenhuis te bevallen hieraan bij; Jarno moest er niet aan denken dat zijn geboorteplaats Almelo zou zijn.

Van de eerste jaren in zijn leven kan Jarno dus weinig herinneren. Zoals de meeste baby's bestonden de eerste maanden uit slapen, borstvoeding krijgen, vol verbazing rondkijken en huilen. Naarmate er meer maanden op de teller kwamen, nam de dagelijkse slaaptijd af. Aan de borstvoeding kwam abrupt een einde toen hij zijn tanden begon in te zetten. Het vol verbazing rondkijken werd afgewisseld met kruipen en vervolgens lopen, met het zeggen van woordjes en vervolgens hele zinnen en met het zindelijk worden. Ook de huilfrequentie nam af naarmate hij meer van de wereld om zich heen begon te begrijpen.

De eerste herinneringen stammen uit de tijd dat Jarno naar de peuterschool ging. Het bewust herinneren schijnt samen te hangen met de taalontwikkeling en daarbij de codering van herinneringen. Hoewel de peuterschool niet verplicht was, dachten zijn ouders dat hij er goed aan zou doen alvast enkele malen per week een aantal uren met leeftijdsgenootjes door te brengen. Als peuter heeft hij dan ook leuk gespeeld en zo nu en dan geruzied met zijn medepeuters en heeft hij vele mooie tekeningen gemaakt, waaruit hij later met het grootst mogelijke voorstellingsvermogen niet veel kon halen.

Misschien is het maar goed ook dat een mens zijn eerste levensjaren niet goed kan herinneren. Als je de psychologieboeken moet geloven, onderga je de eerste levensjaren een drietal psychoseksuele fases. Als pasgeborene begin je in de orale fase, waarin de mond als erogene zone centraal staat. Je wilt niets liever dan het in de mond stoppen van objecten, eraan te zuigen en erop te bijten. Na circa een jaar ga je door naar de anale fase, waarin de anus als erogene zone centraal staat. In de anaal-sadistische fase beleef je lust aan de uitscheiding; in de daaropvolgende anaal-erotische fase beleef je juist lust aan het inhouden van de afvalstoffen.

Vanaf het derde levensjaar treedt de genitale fase in, waarin de geslachtsdelen als erogene zone centraal staan. Je ontdekt het plezier dat je kan hebben door stimulatie van je geslachtsorganen. In deze fase ontdek je het verschil tussen de geslachten door het al dan niet hebben van een piemeltje. Jongetjes zijn trots op hun piemeltje, maar krijgen castratieangst bij het zien van meisjes, daar waar meisjes penisnijd hebben bij het zien van jongetjes. Deze fase wordt door Freud aangeduid met het Oedipuscomplex. Jongetjes begeren hun moeder en willen haar geliefde zijn, maar zien hun vader als obstakel; meisjes identificeren zich met hun moeder en hopen als vrouw een kind te krijgen van vader.